Ed van Thijn bekleedde tal van politieke functies, van burgemeester van Amsterdam tot minister van Binnenlandse Zaken en fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer. In zijn meest recente boek Kroonprinsenleed schrijft Van Thijn over leiderswisselingen in de politiek; of het nu een 'ideale' wisseling is of een 'schoon-schip-operatie', machtwisselingen vormen een van de grootste pijnpunten in de politiek.
In een grote stad gaan trots en ergernis hand in hand. In een grote stad leven verschillende bevolkingsgroepen nu eenmaal op een kluitje, omdat ze graag in een stad wonen.
De meerderheid van de wereldbevolking woont in steden. Verstedelijking is – om economische redenen – nog altijd een van de belangrijkste drijfveren achter de mobiliteit van mensen. Amsterdam heeft een grote aantrekkingskracht op bewoners, op nieuwkomers, op studenten, op kunstenaars, op bedrijven, op toeristen, maar ook op kwetsbare groepen: op laagbetaalden, op mensen met problemen, op verslaafden, op daklozen. Dit laatste is nog het meest tekenend. Mensen zonder huisvesting, mensen zonder verblijfspapieren, daklozen – vroeger ook stadsnomaden – zwerfjongeren, zijn liever dakloos in Amsterdam, dan waar dan ook.
Amsterdam heeft een magneetfunctie, zowel op zaken van trots als van ergernis. In de tijd van mijn burgemeesterschap heb ik veel gesproken met captains of industry. Waarom kiezen zij voor Amsterdam? Vanwege het gunstige vestigingsklimaat, de aanwezigheid van grote transportaders en de nabijheid van Schiphol, maar ook omdat Amsterdam een ontmoetingsplaats is. Amsterdam heeft een groot cultureel aanbod, veel horeca en gezelligheid en een bruisend uitgaansleven; mensen willen niet alleen maar achter hun computer zitten. Want elke grote ontwikkeling roept tegenhangers op. Even niet dat computerscherm, maar ook mensen ontmoeten, een pilsje pakken. En ondanks de opmars van de tv blijven mensen naar de film gaan, of naar het theater. De captains of industry noemden dat het trilgetal van de stad, van de stad Amsterdam.
Er was een tijd dat de stad verloren leek, verpauperde en verkrotte. Negentiende eeuwse wijken gaven een opeenstapeling van problemen te zien. Er heerste hardnekkige werkloosheid, schrijnende armoede en er was sprake van een toenemende drugsoverlast en ernstige criminaliteit. Met name de middengroepen verlieten de stad. Dat werd bevorderd door wat toen ‘gebundelde deconcentratie’ heette. Sterke satellietsteden – Almere en Purmerend – moesten de overloop van Amsterdam opvangen. Met als gevolg dat de mensen vervolgens elke dag in eindeloze files moesten staan om naar hun werk in de grote stad, in Amsterdam, te gaan. De steden werden een bodemloze put, liepen de deur plat in Den Haag met hun klaagzangen: meer geld, meer politie, meer gevangenissen en noem maar op.
In de jaren ’80 hebben we de bakens verzet. Vanaf dat moment stond de trots weer centraal. Er moest weer gebouwd worden, niet buiten de stad maar in de stad. Bouwen in de buurt, voor de buurt. De stadsvernieuwingsoperatie kwam op gang. De negentiende eeuwse wijken – Pijp, Bos en Lommer, ja, zelfs de Staatsliedenbuurt – werden terugveroverd. Wat je ook over Amsterdam kunt zeggen, de woonkwaliteit is goed. Trots kunnen we ook zijn op Nieuw Oost. Spreek niet eens over de Jordaan en de binnenstad.
Vanaf dat moment werd Amsterdam ook aantrekkelijk voor het bedrijfsleven. In ’86 verviervoudigde het aantal investeringen. En die groei ging door. Nieuwe bedrijventerreinen, met name aan de Zuidas, schoten als paddenstoelen uit de grond. Het Gemeentelijk Grondbedrijf beleefde gouden tijden. Europese hoofdkantoren van internationale ondernemingen, zelfs Philips en inmiddels ook AKZO, kwamen naar Amsterdam. Ook richting Den Haag sloegen we een andere toon aan. Niet langer een jeremiade over onze sociale problemen (die overigens nog lang niet waren en zijn opgelost), voortaan benadrukten we de enorme potenties van de grote stad. We presenteerden ons als motoren van de nationale economie. Amsterdam als financieel centrum, Amsterdam als stad met een luchthaven, als centrum van handel en distributie, als centrum van kunst en cultuur, als stad van nieuwe technologie, als creatieve stad. Hier wordt het geld niet uitgegeven maar verdiend. Trots, I Amsterdam.
Amsterdam werd weer het visitekaartje van Nederland, de schaamte voorbij. Het Rijk deed mee in grootschalige projecten. Er werd hard onderhandeld over het grote – ook economische – belang van de bereikbaarheid, metals klapstuk de aanleg van de Noord/Zuidlijn, aanvankelijk een coproductie met het Rijk. Een van de grote punten van ergernis (voor mij) was dat men heeft toegestaan dat het Rijk de handen van het project heeft afgetrokken. Oké, een startsubsidie, maar de tegenvallers zijn voor eigen rekening. Terwijl je de tegenvallers kon zien aankomen. In deze stad zijn nooit grote projecten tot stand gekomen zonder tegenvallers en bouwellende.
Dat is door alle eeuwen heen zo geweest. Onlangs werd het Paleis op de Dam, het mooiste gebouw (zeker van binnen) van Nederland, heropend. In de Gouden Eeuw ooit het trotse stadhuis, maar ook toen was de bouwellende enorm. De architect, Jacob van Campen, heeft de voltooiing niet meegemaakt.
‘De kost gaat voor de baat uit’ zeiden onze visionaire voorvaders. Aan trots gaan ergernissen vooraf. Wie herinnert zich nog de slagvelden bij de Oostlijn, het verzet in de Nieuwmarktbuurt? De ergernissen waren kolossaal. Geen grote stad zonder opbrekingen, fysiek ongemak, plannings- en berekeningsfouten. En toch is een grote stad een bron van trots die als maar weer nieuwe mensen, bedrijven, generaties en bevolkingsgroepen aantrekt.
Door de eeuwen heen is onze diversiteit een vast punt van zowel trots als ergernis. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht gehad op nieuwkomers, migranten, mensen van buiten. De bloei van Amsterdam in de Gouden Eeuw was het directe gevolg van de val van Antwerpen. Toen zochten en vonden tienduizenden immigranten een goed heenkomen in Amsterdam. Ze hebben de stad een ongekende bloei bezorgd. Hét handelsmerk van Amsterdam is sedertdien de tolerantie, de vrije geest en dat was van groot belang in een tijd van felle godsdiensttwisten. Ik zeg bewust een handelsmerk. Het was vooral een kwestie van welbegrepen eigenbelang. Een stad van handel en economische bloei maakt per definitie geen onderscheid. Niet het hart of het principe staat voorop, maar de portemonnee. Simon Schama schreef er een boek over: The embarassment of the riches (in het Nederlands verschenen onder de titel: Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw). Amsterdamse kooplieden leefden quasi-sober, duldden geen protserigheid in de grachtengordel en ze sloten de ogen voor de keerzijde van de medaille van rijkdom. Natuurlijk waren er ook toen grote problemen: spinhuizen zaten vol, de weeshuizen puilden uit, gigantische armoede te midden van rijkdom, prostitutie op grote schaal. Schama hekelt de dubbele moraal van het calvinistische Amsterdam.
Amsterdammers leiden aan zelfverafgoding als het om tolerantie gaat. Tolerantie betekent letterlijk dat we onze gevoelens van ergernis onderdrukken. Dus dat we, als we ons ergeren, de andere kant op kijken. Tolerantie betekent vaak onverschilligheid. Afstand nemen en houden. We zijn trots op Anne Frank, maar ook dat verhaal heeft twee kanten. Anne Frank is het bekendste ondergedoken kind, maar ze is ook verraden ín Amsterdam. We vieren dat ze tachtig jaar zou zijn geworden, maar in werkelijkheid werd ze nog geen 17. Tja, we zijn trots op de Februaristaking, en terecht, maar die begon ook in de stad waar verhoudingsgewijs de meeste Joden zijn gedeporteerd, met medewerking van Amsterdamse politieagenten, trambestuurders, bevolkingsambtenaren en noem maar op.
Vandaag de dag zijn we een multiculturele samenleving. Op veel plaatsen gaat dat goed, leven we met elkaar, maar vaker langs elkaar heen. We slikken onze ergernissen in, maar soms wordt het ons te veel. Zeker als Marokkaanse jeugdbendes ons het leven zuur maken. Ook in mijn tijd als burgemeester waren er jeugdbendes met een kleurtje – de eskimo’s van Warmoesstraat. Na een ernstig voorval stond ik diverse malen oog in oog met woedende buurtbewoners. Ik liet me dan minutenlang voor rotte vis uitmaken. Maar dan zei ik steevast: ‘Ik begrijp uw ongenoegen, de daders zullen hard worden aangepakt. Maar één ding moet u mij beloven: wij generaliseren niet. In deze stad wordt niemand over één kam geschoren. Wij zijn allen Amsterdammers, burgers van één stad, die zich regelmatig blauw ergeren aan onze buren, aan het gedoe op straat, aan het gemeentebestuur en aan de burgemeester. Maar één ding staat voorop: we zijn trots op onze stad.’ Omdat tolerantie ons handelsmerk was en hopelijk blijft.
|