Het blijft me een raadsel hoe het komt dat na het lezen van Arnon Grunbergs roman Tirza, Dante’s Inferno je haast als een speeltuin toeschijnt? Een gruwelspeeltuin, maar niettemin…
Hoe slaagt een schrijver erin zo diep onder je huid te kruipen? Vanaf zin één - een ogenschijnlijk onschuldige beschrijving van een man die tonijn snijdt voor zijn zelfgemaakte sashimi – het verhaal te laden met een beklemming die als een kleffe keukenhanddoek over je heen valt en blijft liggen tot het eind? Onder je huid brandt een ongemakkelijk gevoel als een smeulend vuur? Hoe stookt hij dat vuur?
Lezen we Inferno met een zekere afstand als een catalogus van de menselijke tekortkomingen, een eeuwig actuele lijst overigens, in Tirza wordt de lezer onderdeel van een catalogus, kijkt hij in een directe, onontkoombare, actuele en vooral onverbiddelijke spiegel. De schrijver sticht een brand die de lezer verzengt, niet een brand die personages verzengt waarmee je je identificeert…
Je identificeert je namelijk niet met Jörgen Hofmeester, nee, de schrijver sluit je op in diens hoofd. Sluit je op in de roman, in dat bizarre, zuigende universum. De angst van Jörgen Hofmeester is onze angst, Tirza onze dochter, haar lot ons lot, wij zijn die vader én dat kind, het boek beschrijft onze onderwereld en er is geen ontkomen aan: het is alsof je op een toneelvloer op wordt gejaagd en mee moet spelen. Ik kan niet anders zeggen dan dat het soms voelt alsof je in die roman zit, zelf die gedachten denkt. En dan is het schrikken als je de verteller zegt: De hel dat waren niet de anderen. Hij was het zelf. De hel zat diep in hem. Tirza is een genadeloos boek. Zijn maker een genadeloos schrijver, een schrijver die zich ten doel heeft gesteld door te dringen tot de kern van de mens, ook al blijkt die kern misschien een holte. Volgens veel critici is hij een aardig eind op weg: Tirza werd onlangs uitverkoren tot het belangwekkendste boek van het afgelopen decennium. Een grote roman, waarmee Grunberg ruim voor zijn veertigste zijn plaats in de letteren vereeuwigde.
Alle vaardigheden en hebbelijkheden van de schrijver Grunberg komen hier bijeen in een optimale mengverhouding, een prachtig ontregelend evenwicht. Het verhaal krijgt daardoor een verbluffende kracht. De manier waarop hij zijn protagonisten in de houdgreep heeft en hen kalm maar onverbiddelijk naar de ondergang voert, hoe hij met zijn vrije hand en passant de argeloze lezer aan zijn pols meesleurt – het is meesterlijk. De bijna ludieke, terloopse ontwikkeling van de plot, de tekenende details, het gebruik van slapstickachtige technieken. Langzaam schrijft hij een hij een ogenschijnlijk normale situatie naar de absurditeit.
Herinner u Jörgen Hofmeester die met zijn vrouw voor het feest in de badkamer staat – wat een pijnlijke tragiek. Denk aan het Hofmeester in de tuinschuur met Tirza’s klasgenote, haar broek omlaag. Of Hofmeester met het Afrikaanse meisje van tien in Namibië. Als het geen boek was zou je je ogen af willen wenden, hem toeroepen: Man kijk uit, wat zullen …? Betrapt houd je je mond, je weet: Grunberg heeft je waar hij je wilde hebben. Hij manipuleert niet alleen zijn personages trefzeker de afgrond, maar keilt de lezer er even makkelijk achteraan. Op het moment dat je de grond onder je voeten voelt wijken is het te laat: je ligt languit met je neus in de prut van je eigen morele aannames.
Grunberg is zo’n schrijver bij wie een huiskamer een gevangenis kan worden, een duistere kerker, door het woord alleen al, door het neer te schrijven: HUISKAMER. Een bed waarin de liefde wordt bedreven is ook een folterbank. Hij situeert veel ongemak in de beschrijvingen, in terloopse gedachten, de afdwalende geest, de schijnbare achteloosheid waarmee mensen de vreselijkste dingen zeggen en dóen, de theatrale uitvallen. En steeds de woorden, ECHTGENOTE, de HUURDER. Én jouw plaatsvervangende schaamte als blijkt hoever je bent meegegaan met die man. Want bij Grunberg wordt niets en niemand ontzien.
Hoe hij dat kunstje flikt? De boeken van Grunberg gonzen van de vergelijkingen, oneliners en wisecracks die commentaar leveren, samenvatten, onderuithalen, inpeperen, natrappen. Het effect ervan is onmisbaar voor de tragische hilariteit, voor het bijna slapstickachtig opgebouwde wanhoopsdrama dat zich voltrekt. De vergelijkingen buitelen over elkaar heen. Hoog en laag, verheven en plat, waardevol en gewoontjes staan pal naast elkaar – allang geen tegenstellingen meer. In een opsomming van nobele begrippen als vrijheid, hoop en democratie duikt doodleuk een pannenkoek op – en de vergelijking werkt nog ook. Gevoelens, zegt de verteller in Tirza, het is een woord waarbij hij even stil blijft staan als bij een attractie langs de weg. Het lijken absurditeiten, flauwiteiten volgens sommigen, maar ik denk dat ze bijzonder effectief zijn, want door de onmogelijkheid van de vergelijking die hij gebruikt krijgt het eerste deel van de vergelijking in een soort boemerangeffect des te meer gewicht. Een zin uit De asielzoeker: Ook als je je eigen geluk hebt afgezworen, komt dat geluk nog voor in je leven, als onkruid, op de gekste plaatsen. Het is meer dan zo maar wat ironie. Venijn, spot en bodemloze absurditeit maken situaties die, anders beschreven, misschien niet eens geloofwaardig zouden overkomen, pijnlijk en wrang. Denk terug aan de bijna reclameachtige opsomming van de eigenschappen van de Stihl-motorzaag wanneer hij die voor oneigenlijke doeleinden hanteert. De schrijver is een meester van de pijnlijke taferelen, en je eigen lach blijkt vaak juist de lucifer die de brand onder je huid aansteekt.
Tirza op toneel
De laatste jaren omarmen steeds meer theatermakers de grote literatuur. De grote romans. Proust, Dante, Musil, Lowry, Dostojewski, Pamuk, Passolini en zelfs de new-age bestsellerbakker Coelho wordt de speelvloer opgejaagd. Wat maakt grote romans aantrekkelijker dan de grote toneelstukken? In een interview met NRC zei Guy Cassiers, die een bewerking van Lowry’s meesterwerk Under the Volcano regisseerde daarover: ‘…ik wil een voorstelling maken die nooit eerder is vertoond. Daarvoor geeft een roman meer ruimte, juist omdat die nooit bedoeld is voor theater. De romanschrijver houdt zich niet bezig met de ijzeren toneelwetten. In de klassieke toneeltekst moet alle informatie in de dialogen zitten en ben je gebonden aan een beperkt aantal locaties. In zekere zin zijn de toneelwetten geboren uit technische beperking. Nu die beperking is weggenomen ontstaat op het podium een vrijere ruimte waarin je ook gedachten van personages kunt laten horen, de innerlijke reflectie. Ook kun je makkelijker een verteller laten optreden die in en uit de handeling stapt en je kunt eenvoudiger van locatie wisselen.Net als in een roman.’
Fascinerend is niet zozeer dát er zoveel romanbewerkingen op de planken komen, maar dat ze ook nog eens moeiteloos onder een noemer lijken te brengen: Ik heb daarover niet eens hoeven nadenken: NRC redacteur Wilfred Takken heeft dat al gedaan. Hij ziet als grote lijn in al die toneelbewerkingen: De Europese bourgeois in crisis. Patsboem.
En nu staat Tirza op de planken. De figuren van Grunberg, aldus regisseur Johan Doesburg, zijn uiterst bruikbaar voor theater omdat de auteur eigenlijk toneelpersonages schept, ze transporteren vooral een idee.
De Europese bourgeois in crisis. Laten we eens zien: Jörgen Hofmeester heeft alles voor elkaar, hij is ingenomen met zijn wereld, maar verliest dan alles. Zo wordt Tirza nogal eens samengevat. Hofmeester heeft geld, begaafde kinderen, een betrekking op niveau en woont door financieel uitgekiend beleid aan het beste gedeelte van de Eeghenstraat. Wat was vrijheid, als je geen geld had die te bekostigen, denkt hij in de roman. In zijn hoofd heeft Hofmeester het voor elkaar en dat moet vooral zo blijven. Een mens moet zichzelf besturen, peinst hij, anders doen anderen het voor hem. Maar de vrijheid brengt voortdurende verandering mee als ongevraagd cadeau. De kinderen doen niet wat hij verwacht, zijn vrouw loopt weg, het geld in het hedgefund verdampt, op de uitgeverij is Hofmeester overbodig. Om de illusie te wekken dat hij nog werkt doodt hij de tijd op Schiphol. De vrijheid die hem plotseling was toebedeeld leek een woestijn, constateert Arnon Grunberg droogjes. Even lette Hofmeester niet op en nu kijkt hij naar zijn bestaan als naar een handje zand dat tussen zijn vingers doorriezelt. Wie bezit, wordt bang te verliezen. De zekerheden waarop hij zijn bestaan fundeert blijken steeds meer holle rituelen: en uiteindelijk is Tirza het enige dat hem blijft, en in het vuur van de angst dat ook zij hem dreigt te worden afgenomen verdampt het laagje beschaving waarmee de mens zich siert, en de brave burger verandert in een beest.
Maar is het wel zo simpel? Waaróm verliest Jörgen Hofmeester? Is hij het slachtoffer van een duistere macht, wordt zijn wereld aangevallen, bedreigd? Nee, Jörgen Hofmeester bezwijkt vooral aan zijn eigen angst, de angst die paradoxalerwijze samenhangt met zijn stabiele status, met zijn bezit, zijn vrijheid, zijn geloof in de wereld die hij om zich heen heeft gebouwd. Wie bezit, wordt bang te verliezen. Juist door zijn extreme angst te verliezen, verliest hij inderdaad. De gewonnen vrijheid is niet alleen een woestijn, het is ook een moeras. Niet voor niets luidt de eerste zin op de achterflap: De vrijheid mag lonken, maar liefst niet de hele dag: wanneer de vrijheid uitsluitend tijdens de zomervakantie lonkt, is het leven al zwaar genoeg. Hofmeester wil vrij zijn, maar gruwt tegelijk van die
vrijheid, is als de man die de grot waarin hij zit opgesloten uit voorzorg zelf dichtmetselt. Hij proeft om hemzelf te citeren de ware smaak van de vrijheid: gal.
Jörgen Hofmeester verliest niet, hij verwoest. Hij heeft zijn bestaan nog niet onder controle of de angst ondermijnt het van binnen uit. Hij roept de demonen van de ondergang zelf op. Hij is als de man die uit de omvallende kast vol kostbaar kristal met graaiende armen alle topstukken probeert op te vangen en ze daardoor allemaal aan diggelen ziet gaan. Dat is zijn tragiek. Door de kieren van de alledaagse absurditeit sijpelt angst zijn wereld binnen, zijn zekerheid kalft af, onvermijdelijk als een zandkasteel op de vloedlijn, ook al blijft Hofmeester in het wegspoelende zand nog lang krampachtig dat kasteel herkennen. Hij heeft niets anders dan Tirza, haar aanbidt hij, haar neemt hij in bescherming, een koesterende omhelzing die haar wurgt. Zijn panische angst culmineert in een projectie waarmee Hofmeester zélf het monster creëert dat de definitieve ondergang inluidt. Dat monster is Tirza’s vriendje Choukri, die in Hofmeesters hoofd in Mohammed Atta transformeert. Choukri is de buitenstaander die we in zoveel grote toneelstukken tegenkomen, de binnendringer die ontregelt wat eigenlijk van binnen al rot was, die de katalysator speelt in een onstuitbaar proces van verval en teloorgang. Deze Mohammed Atta – de vijand, de vernietiger - is helemaal een product van Hofmeesters geest, letterlijk een hóofdpersoon. Want nergens anders dan in Hofmeesters hoofd broedt de terrorist zijn snode plannen met Hofmeesters lieve dochter. De katalysator reageert met de grondstof: Hofmeesters angst zelfs Tirza te verliezen.
Maar ook Tirza bestaat eigenlijk alleen nog in Hofmeesters hoofd. Wie zegt ons dat zij in werkelijkheid niet een anorectisch, manipulatief en een achterbaks puberaal loeder is? Een meisje dat enkel onder de verstikkende vleugels van haar vader probeert uit te komen? We zien haar immers alleen door Hofmeesters ogen. Maar kijk eens hoe de wenkbrauwen van haar lerares omhoog gaan als Hofmeester Tirza hoog-hoogbegaafd noemt, of hoe Tirza praat over jongens die bang voor haar lijken. Herlees de episode in de eetstoornissenkliniek in Duitsland. Hofmeester ziet alleen een waandochter, die hij wil beschermen, tegen elke prijs.
Tirza en de angst voor de vrijheid
‘Ik ben niemand,’ zegt Jörgen Hofmeester in het begin van de roman. Maar het knappe aan het boek is juist dat Jörgen Hofmeester iedereen lijkt, ik ben geneigd in hem een allegorische figuur te zien, een Elkerlijck van de eenentwintigste eeuw. Niemand en iedereen: Jörgen Hofmeester is ons. Zijn angst is onze angst, en zijn lot te vernietigen waarvan hij het meeste houdt. Als gezegd, Grunberg spaart niemand.
Hofmeesters wereld als een allegorie van het Westen, waarin de Europese bourgeois of dé westerling zijn vrijheid dreigt te verwoesten in een poging haar te behouden? Sidderend van angst voor een monster dat zijn vertrouwde wereld ondergraaft, van angst om ALLES, kwijt te raken? Hofmeester projecteert zijn angst om Tirza niet voor niets op Mohammed Atta, de vleesgeworden dreiging voor het Westen, een icoon van het kwaad dat onze vrijheid belaagt, een soort Marilyn Monroe van het terrorisme. De vrijheid is onze Tirza, die wij aanbidden en in een in een beschermende omhelzing dreigen te wurgen – om haar te ontrekken aan de vuige blikken van de vijanden van de vrijheid, die ongrijpbare vijanden, die vijand in het hoofd, de Atta die onze angst heeft opgeroepen. Een monster dat in zijn eigen staart bijt.
En is de vrijheid niet net zo’n onberekenbaar kreng als Tirza? Ze maakt onzeker en bang. Haten wij Mohammed Atta niet ook omdat hij ons onder de neus wrijft dat onze Tirza niet is wie wij denken? Omdat we voelen dat deze vrijheid misschien niet meer de liefhebbende dochter is die we op een voetstuk hebben staan, maar een verwaarloosd kind? In het Grunbergiaanse universum is zelfs niet uitgesloten dat wij uit onmacht uiteindelijk stiekem jaloers zijn op de Atta’s die het op onze Tirza hebben voorzien. Hoe ook, het is meesterlijk hoe Grunberg met de simpele verwijzing naar 9/11 de roman in een klap voorziet van een extra universele verdieping.
Tirza in de zaal
Nu sta ik hier niet om u te vertellen wat u zo meteen gaat zien, of te vertellen hoe u moet zien wat u ziet. Dat weet ik zelf niet eens. Ik probeer met wat overwegingen uw gedachten in de richting van de grote zaal te krijgen. U in de stemming te brengen, zou ik zeggen als het hier niet zo misplaatst klonk.
En er zijn nog veel meer overwegingen. Talloze spiegels heeft de schrijver in zijn roman neergezet, spiegels die verdubbelen, omkeren, hernemen, persifleren of vertekenen, soms alleen zichzelf reflecteren als een peilloos lege gang. En ondertussen schopt de hij links en rechts de spiegels van onze illusies aan diggelen.
Dit onderuithalen en ontmaskeren van zekerheden en morele aannames heeft Grunberg nogal eens het verwijt van cynisme opgeleverd. Of nihilisme, op zijn best een immorele houding. Zeker, rooskleurig is zijn mensbeeld niet, het leven lijkt wel een beursvloer vol louche handelaren die je duistere derivaten en woekerpolissen in de maag willen splitsen: voor alles hoort hier wat, en iedereen bedondert iedereen, zichzelf incluis. Maar Grunberg tiert niet, huilt niet, jammert niet; hij constateert, probeert die zwakke, tragische en in zijn zoektocht naar houvast jammerlijke mens min of meer amoreel te beschouwen. Voor hem is het zoals het is en hij probeert door te dringen in de kern. Soms voel je het mededogen: op de gekste plekken, net als het onkruid van het geluk, zeg maar. Een meesmuilend soort mededogen: het mededogen van de man die op zijn lippen moet bijten om niet te zeggen: Ik zei het je toch? Om zich weer hoofdschuddend aan het werk te zetten. De mens kan er ook niets aan doen. Want wat is Hofmeester, de Europese bourgeois, de westerling, uiteindelijk anders dan dé mens?
Al in De mensheid zij geprezen uit 2001voerde Grunberg die mens op als een marionet die aan touwtjes spartelend zichzelf wijsmaakt dat hij in vrijheid beslissingen neemt, zelf het spel bepaalt. Een armzalige kneus, die voor een rechtbank moet worden verdedigd tegen de aantijgingen van zijn slechtheid en vunzigheid - vooral afkomstig uit de hoek van de kunsten. Zijn advocaat betoogt dat de mens het ook niet kan helpen dat hij onafgebroken ten prooi is aan illusies, zich laat paaien met valse beloften van een paradijs. De worst zegt de pleitbezorger, is het paradijs, de hond is mijn cliënt en de stok dat zijn de woorden. Bladzijde voor bladzijde dwingt de schrijver de lezer als een omgekeerde Narcissus met zijn gezicht boven de spiegelende poel van zijn illusies naar zijn eigen nietigheid te kijken, en haalt hij de meest vanzelfsprekende begrippen onderuit: – vrijheid, genot, liefde.
Een marionet. Maar, zegt hij ook, als de marionet zich misdraagt waarom krijgt dan eigenlijk de marionet de schuld en niet de poppenspeler? De mens is speelgoed van verveelde goden die wat aan de touwtjes trekken, touwtjes waarin de mens verstrikt raakt. We hebben God dan wel achter het behang geplakt, en de vrijheid op zijn troon gezet, maar het helpt niets: de touwtjes blijven. Maar het is zoals Beck in De asielzoeker zegt: Een andere wereld dan deze is niet voorhanden, wie hem afwijst, wijst zichzelf af. Je speelt het spel mee, of stapt eruit. Daarmee moeten we het doen: Grunberg is als de zelfhater die tegen zijn spiegelbeeld zegt dat hij zijn naaste moet liefhebben als zichzelf. Meer troost is niet op voorraad.
Die spiegel is daar. Gaat u maar kijken. Naar Tirza, Hofmeester, de Europese bourgeois in crisis, naar ons. |