Wil Boesten (1962) debuteerde in 2007 met de roman Spiltijd. Het boek werd lovend ontvangen door de pers, zo schreef De Groene Amsterdammer: ‘Omgaan met een historie van antisemitisme is een thema waar Nobelprijswinnaars als Bellow en Wiesel hun halve of hele oeuvre aan hebben gewijd, dus lof is op zijn plaats voor Boestens durf met een roman over zo’n groots onderwerp te debuteren.’ Boesten schrijft nu aan een nieuwe roman waarin Spoleto en de muziekcultuur in die stad een belangrijke rol spelen.
Twee werelden
Ma anche in questo consiste l’arte dello scrittore: saper inventare la verità. – Gian Carlo Menotti
Halverwege de trap die met mediterrane gelatenheid over een afstand van vijftig meter flauw afdaalt naar het plein voor de Dom, zit een cellist. Op zijn gezicht speelt de grijns van verheven weten, de verzaligde glimlach van hen die het licht hebben gezien. Ondanks de hogere krachten die hij aan zijn zijde weet, moet zijn cellospel het vooral hebben van de inzet, maar dat gezwoeg verdrijft niet de plooiing van het onverwoestbaar levensgeluk in zijn gezicht. Functioneert een cello zo goed als bord voor je kop? Zoveel levensbevestiging dwingt een mens onmiddellijk tot een mijmering over mislukking, vergankelijkheid en ondergang, die in deze stad in hun verraderlijkst bekoorlijke gedaante optreden. Anders ga je nog slaan.
Het plein is een natuurlijke concertzaal: jaarlijks vinden er voorstellingen plaats tijdens het Spoleto Festival dei Due Mondi. Daaraan lijkt dit jaar een eind te komen. De stichter is dit voorjaar gestorven, al jaren eerder beging hij de klassieke fout: hij liet zich door zijn aangenomen zoon opvolgen, maar had niet in de gaten wat zijn junior is: een parvenu en een idioot die papa’s grootse festival – waar de top van gevestigde en avant-gardekunst onder bijval van de beau monde bijeenkwam – liet verworden. Ongewild werd het stervende festival een symbool van de intellectuele uitverkoop, van de knieval voor het lichtverteerbare en gemakkelijke, het verstrooiende, het voor de hand liggende.
Het oogde heus allemaal nog elegant: de met bedeesde letters bespoten Jaguars die dienstdeden als festivalcar. Ook de banieren voor de sponsoren in prachtig gedekte tinten met gouden belettering leken het harmoniëren met de muren van de palazzi belangrijker te vinden dan het uitventen van hun wervende boodschap. Hoe nobel, smaakvol. Maar uiteindelijk was het de leegte van de elegantie van het mooie gebaar. Zoals een fraai gezicht leeg kan zijn, een perfect ontwerp, een scherpgesneden kostuum: hooguit voldoende om de binnenkant van een glanzend automobiel te vullen, een hap leegte met gestanst blik eromheen. De sombere mijmering sjort me mee, een jaar of twee terug.
Teatro Caio Melisso, aan ditzelfde plein, een concert staat op het punt te beginnen, maar ongeduldig en zuchtend wachten behoort nu eenmaal tot het ritueel. Dan schuifelt er tussen de zijdoeken vandaan een oude man het podium op, er gaat een beschaafd opgewonden fluisteren door de zaal: hij is het. Het is hem! Ik zie het dan ook. De stokoud voortbewegende grijsaard in een fladderend grijsblauw kostuum dat ooit voor hem op maat moet zijn gemaakt, is de vader van dit festival, de oprichter van dit instituut. De 92-jarige wordt bij de elleboog ondersteund – gestuurd – door een hoogbenige mocht-ze-willen-blondine, een typische Berlusconi-pop. Haar strakke rode mantelpak maakt hem alleen maar archaïscher, een man uit een andere wereld.
De zaal zwijgt geïmponeerd: de oude maestro – zoals hij hier even liefkozend als afgezaagd wordt genoemd – neemt het woord en begint aarzelend in een draadloze microfoon te spreken op een toon die het publiek het gevoel geeft onwillige kinderen te zijn. De blondine houdt maar net het gewicht van zijn woorden.
Dat het Festival niet meer is wat het ooit was, zegt hij, dat het publiek erbij zit als een stel makke schapen. ‘Vroeger,’ houdt hij hun voor, ‘vroeger was dat anders, wij wilden dialoog, vuur, discussie, musici werden aangesproken door het publiek, jullie wilden meepraten. Kunst wilde confrontatie zijn. Jullie riepen als je het beu was: “Nee, verdomme, stop! Nu eens geen Brahms, doe ons eens Jánaček, iets anders.” Maar dat roepen jullie niet meer, jullie vinden het best. Iedereen houdt zijn mondje dicht. Als het maar divertente is.’
De zaal gonst. Het mengelmoes van Italiaans en Engels snoert me de keel dicht. Hij herhaalt zich in andere woorden, en nog eens. Wat hij zegt is te waar en het publiek probeert met verstolen blikken in het rond de verbale klappen in het gezicht te ontwijken. Hij zou moeten bulderen als een onheilsprofeet, maar lispelt nu haast onverstaanbaar zacht. Ik sla in radeloosheid mijn blik op naar het plafond: de muzen dartelen er in achttiende-eeuwse kitschgedaante door het geschilderde zwerk. Hij spreekt nu bijna twintig minuten.
Dan maakt als in een slecht toneelstuk een duistere gedaante zich uit de coulissen los: de schurk. Hij stapt kordaat af op de hoogbejaarde aan de arm van de nepmuze, legt zijn eigen arm om het stervende vlees dat hij zijn vader noemt, en pakt schaamteloos, met een bruusk gebaar van nauw verholen woede de microfoon uit zijn hand: ‘Dank je papa, dit is wel genoeg zo. De mensen zijn gekomen om muziek te horen, denk je niet?’ Stilte spat in de zaal uiteen.
En geen toneelbliksemschicht treft de vermaledijde onverlaat? Geen aanklacht klinkt op uit de zaal – ‘O, vergogna, schande, bruut, laat af!’?
Iedereen zwijgt, ik zwijg – gast immers. Nooit voelde ik de betekenis van plaatsvervangende schaamte, die lafheid is, dieper. De schurk voert de strompelende vader resoluut mee, de blondine beent voor hen uit. Met de blik van een vluchtende nimf op een beroemd schilderij glimpt de oude nog een keer over zijn schouder de zaal in – daagt er dan echt geen hulp?
Na afloop in foyer klinkt door het bargerinkel veelvuldig het vergogna! Schande uit de mond van de mensen voor wie deze middag niet meer is dan een gelegenheid om zich in hun fraaiste uitmonstering te tonen – dit Festival van één Wereld.