Onlangs werd het nieuwe boek van Dirk van Weelden feestelijk gepresenteerd in Spui25 te Amsterdam. Hans Maarten van den Brink nam het boek in ontvangst en Martin Bril hield onderstaande toespraak over de auteur en zijn nieuwe boek, Het middel.
Dames en heren, jongelui,
Het is bijna twintig jaar geleden dat er een opmerkelijk boek verscheen: Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril en Van Weelden. Die Van Weelden is vandaag hier het feestvarken.
Schrijven, dames en heren, is best moeilijk. Er verschijnen zoveel boeken dat je zou denken dat er geen kunst aan is, iedere boerenlul kan het, maar dat is niet waar. Schrijven is en blijft moeilijk, als je tenminste je best doet. Dat zal het geheim van al die kutboeken zijn – de schrijvers ervan doen gewoon hun best niet, ze geven zich niet tot het uiterste, om het maar eens in wielertermen te zeggen, ze rijden zich niet het snot voor de ogen. Mezelf zou ik bijna als voorbeeld geven, ware het niet dat ik geen boerenlul ben en geen kutboeken schrijf – maar toch heb ik een hekel aan dat snot. Ik ben een jongen van de korte baan. Ik wil graag met mijn haar in model en alle kleding op orde zonder een druppel zweet over de finish komen. Hardlopen, bijvoorbeeld, is helemaal niet aan mij besteed.
Genoeg over mezelf.
Dirk van Weelden leerde ik zo’n vijfentwintig jaar geleden kennen in Groningen. Dat is een stad in het noorden van het land waar het dezer dagen naar suikerbieten stinkt. Dat deed het ook toen we elkaar tegenkwamen, Van Weelden liep op dat moment hard en ik stond stil, dit ergens op de Kraneweg – en omdat we beiden die lucht intens haatten werden we vrienden. Onze geur was de geur van inkt, van kranten en tijdschriften, van vers papier, van stencilmachines, espresso, speelhallen en nieuwe boeken. Voor we in de gaten hadden wat er gebeurde, zaten we dag in dag uit achter een oude Underwoodschrijfmachine gedichten, verhalen, opstellen, essays en flauwekul te maken. De ene keer bediende hij de toetsen, de andere keer ik. Allebei wilden we schrijver worden – en als dat niet zou lukken, konden we altijd nog met z’n tweeën één schrijver worden.
Als gezegd, schrijven is best moeilijk, maar we gaven onszelf en elkaar een goede leerschool. Bovendien was er genoeg te lachen. En ook verder waren het barre tijden. Zo herinner ik me nog goed dat we beiden een tijdje als loodgieter werkzaam zijn geweest, puur en alleen omdat er een enorme vraag naar loodgieters was. Niemand die in de gaten had dat wij nog nooit lood had gegoten. Lood was trouwens al vervangen door plastic, maar dat terzijde. Het einde van het liedje was dat we Groningen verruilden voor Amsterdam om het serieus in de literatuur te gaan maken en dan moet je, zoals bekend, dicht bij het vuur zitten.
Zodoende dat we op een dag belet vroegen bij de dichter Hans Sleutelaar, woonachtig in de Anna Vondelstraat. Het belet bestond er trouwens uit dat we gewoon aanbelden. In die naam Sleutelaar zat volgens ons alles verborgen wat een goede netwerker nodig had. Dit bleek te kloppen. Sleutelaar hoorde onze plannen aan, sabbelde aan een sigaartje en introduceerde ons bij De Bezige Bij. Nog dezelfde dag hadden we een contract voor het al eerder genoemde Arbeidsvitaminen.
Toen gingen we het boek schrijven. Nogmaals, schrijven is best moeilijk. En als je met z’n tweeën ergens op een gammel verdiepinkje in Amsterdam Oost achter een typemachine zit, terwijl de kachel snort, in de keuken de koffie pruttelt en op de verdieping boven je luidruchtig wordt geneukt, kom je jezelf en elkaar behoorlijk tegen – ik bedoel: daar zit je dan, en wat zullen we in godsnaam opschrijven. En vooral: hóé schrijven we het op? Een contract met een gerenommeerde uitgeverij was makkelijker geregeld dan een goed boek geschreven, zo bleek. En als het contract er is, heb je nauwelijks goesting meer. De haren rijzen je ineens te berge, zogezegd.
Maar we hebben het gered.
Dat durf ik wel te zeggen.
Dames en heren, waar wil ik heen? Dat is een goede vraag. Ik weet het zelf ook nog niet helemaal, maar de ervaring leert dat het goed komt. Na dat daverende debuut schreven we nog een paar boeken en daarna gingen we ieder onze eigen weg, zonder ooit de ander uit het oog te verliezen. Je zou kunnen zeggen dat we door Arbeidsvitaminen voor altijd aan elkaar vast zijn geklonken. We kennen elkaar van haver tot gort. Samen debuteren, is zoiets als samen in een kano de oceaan oversteken. Dan heb je weinig geheimen meer voor elkaar.
Zou je denken.
Het is mij in de loop der jaren vaak opgevallen dat Van Weelden een razende intelligentie heeft. Niemand die zo snel, zo verrassend en zo vol overgave kan denken als hij. U weet dat. Hij is een fontein die zelfs werkt als de waterleiding is afgesloten. Ik kende dat fenomeen natuurlijk van nabij, van dat gammele verdiepinkje in Oost, maar toen ik er wat afstand van had genomen, begon het me nog meer op te vallen. Wat een souplesse, wat een enthousiasme, wat een stortvloed aan ideeën, opvattingen en associaties. Vaak dacht ik, bezorgd als ik nu eenmaal ben aangelegd: moet het niet wat minder? Zijn het niet allemaal parelen voor de zwijnen? Ik bedoel: de mensen kunnen al zelden meer dan één idee tegelijk behappen. Kom je met twee ideeën aan, dan ben je een intellectueel, kom je met drie of meer, dan ben je – zeker marketingtechnisch – verloren. Er rust in dit land geen zegen op denken.
Maar wel op doorzettingsvermogen – of had ik dat al gezegd? Een jaar of wat geleden zat ik met Van Weelden in een donker café in de Jordaan en hij kondigde aan weer een roman te gaan schrijven. Hij had een idee, een planning, een begroting en een oude, mechanische schrijfmachine. Ja, als hij iets aanpakt, doet hij het grondig. Ik luisterde naar het idee. Ik kon er natuurlijk geen touw aan vastknopen, maar je kunt moeilijk zeggen: ‘Joh, lul eens over wat anders.’ Mijn ervaring is bovendien dat Van Weelden zo iemand is die moet praten. Het punt is alleen: hoe lang? Je kunt namelijk een idee ook doodpraten – onder zoveel woorden en goede bedoelingen bedelven dat het stikt. Ga je vervolgens dat idee uitwerken in een roman, dan bestaat de arbeid voor het grootste deel uit het weer opgraven van dat oorspronkelijke idee. Wat dat betreft kun je beter weinig zeggen en veel schrijven, in plaats van andersom. Tenzij je meer van praten dan van schrijven houdt, maar dan heb je een probleem, als je schrijver bent tenminste. Maar dit alles was gelukkig helemaal niet aan de orde. Problemen, dames en heren, problemen komen in ons leven helemaal niet voor. Wat dat betreft hebben we het getroffen – u trouwens ook.
Ik bemoeide me dus verder nergens mee en wachtte tot het boek af zou zijn. Af en toe kreeg ik een kort bericht door. Het vorderde gestaag, de auteur was goedgemutst en hoopvol, alles koek en ei. Prima dus. En toen was het op een dag af en viel het in mijn mailbox. Het heette Het middel. Zo heet het nog steeds. Het middel.
Hèhè, hoor ik u denken, eindelijk.
Dames en heren, Het middel is een wonderlijk boek. Wat zeg ik: het is een krankzinnig boek. Nog sterker: het is een boek zoals ik nog nooit een boek heb gelezen, en ik heb sinds Dik Trom en Arendsoog toch echt niet stilgezeten. Het is een boek zo avontuurlijk en flamboyant als de schrijver zelf – het is een bedacht boek en een doorleefd boek – een kunst op zich. U verwacht wellicht dat ik het nu ga samenvatten, maar dat ben ik niet van plan. Dan zou u maar de indruk kunnen krijgen dat u weet waar het boek over gaat en er vervolgens het uwe over gaan denken – dat willen we niet. U moet het kopen, en lezen.
Zoals u weet, wellicht, of niet, en dan komt u er nu achter, zijn er twee soorten schrijvers. Zij die van te voren weten wat ze gaan doen als ze beginnen met hun eerste zin zit het laatste hoofdstuk al in hun hoofd, en zij die zomaar in het diepe plonzen en na de eerste zin voor een raadsel staan. Het eerste type schrijver moet het van hard werken hebben, het tweede type van zijn stijl. Ik zal er geen voorbeelden van geven, denk er maar even over na.
Het middel is een boek dat door geen van deze twee schrijvers is geschreven. Het is aan de ene kant lyrisch en poëtisch, humorvol en zacht, aan de andere kant hard van plot en verhaal. Het speelt zich in een nabije toekomst af, maar ook in een oerlandschap dat zo overrompeld goed getroffen is dat je er onmiddellijk een wandeltocht in zou willen boeken. Het is aan de ene kant een spannend jongensboek en aan de andere kant een wijs boek, en daarmee bedoel ik niet dat het een traktaat is of bij vlagen een filosofische verhandeling, maar een boek doortrokken met ervaring, kennis en inzicht. Het is Jules Verne, Aldous Huxley en Don DeLillo ineen. Het leven zelf, aan de ene kant, en de droom, de utopie, aan de andere kant. En op dit laatste punt raakt Het middel aan ons eigen bestaan. Dromen we nog ergens van, bestaan er nog idealen, utopieën? Zijn er nog dingen waar we echt helemaal voor gaan?
Dames en heren, ik heb het gevoel dat ik genoeg heb gezegd. Ik ben sowieso, zeggen ze, een man van weinig woorden en op een gelegenheid als deze gaat het toch vooral om de drank. Ik wil daarom afsluiten met iets heel lulligs, maar iets dat ik wel meen. Ik ben er trots op dat Dirk van Weelden dit boek heeft geschreven. Lees het: huiver, denk en lach. Laat u meevoeren, dan komt u nog eens ergens. Het is een probaat middel tegen cynisme en platheid. Schrijven is, tot slot, best moeilijk, maar als het lukt en het lukt helemaal, dan heb je ook wat – en dat is hier het geval.
Dank u wel.
|